“Gekomen om te dienen” (zie Mc. 10,45)

Gesproken getuigenis

Lode Vandeputte, jonge priester in Brugge  ⋅  Op 16-jarige leeftijd was ik vol enthousiasme leider in de jeugdbeweging. Op dat moment ging ik niet zo graag naar de eucharistieviering en was een stoel op de achterste rij mijn favoriete plaats. Mijn moeder zei me echter: “Als je leider wilt worden van kinderen die hun eerste communie doen, dan moet je een voorbeeld zijn voor hen, ook op het vlak van geloof.” Deze uitspraak heeft mij erg geraakt en vanaf dat moment zat ik vooraan in de kerk, met de kinderen van de jeugdbeweging rondom mij. Ik vertelde hun over Jezus en vertelde deze verhalen tegelijk ook aan mezelf.

Als jonge twintiger werd de Sint-Michielsbeweging mijn geloofsfamilie. Verbonden met die familie ben ik nu priester. Aan het begin van mijn roeping dacht ik: God, waarom ik? Ik ben maar een zondaar. Toch voel ik dat dit de weg is die God voor mij heeft voorbereid en de weg waarop ik ten diepste gelukkig kan zijn. Mijn roeping vraagt veel van mij, maar weegt niet zwaar: “Mijn juk is zacht en mijn last is licht”, zegt Jezus (Mt 11, 30). Ik ben doordrongen van een diepe vreugde en van het vertrouwen dat God mij leidt.

De liefde van God voor mensen is grenzeloos en God daagt ons uit om op dezelfde manier lief te hebben. Jezus zegt: “Alles wat je voor een van deze minste broeders van Mij hebt gedaan, heb je voor Mij gedaan” (Mt 25,40). In de armen en kwetsbaren kan ik Jezus ontmoeten. En mijn inzet voor hen is wederkerig, want ook ik ontvang ontzettend veel van hen. Door hun spontaneïteit, hun onbezorgdheid en hun vertrouwen zijn mensen met een beperking als het ware mijn leermeesters. Zij doen de liefde opborrelen die in mij aanwezig is. Ook in mijn werk met jongeren vind ik veel voldoening. Ik wil meebouwen aan een kerk waar jongeren zich écht thuis kunnen voelen.

Door mijn dienstbaarheid kan ik ook mensen tot bij God brengen, kan ik getuigen van Gods liefde doorheen mijn daden. Terwijl ik een vriendschapsband opbouw met een arme, merk ik dat die persoon niet meer de arme is, maar dat ik de arme ben, die ontvang van hem. We zijn allemaal broers en zussen van elkaar. En deze unieke verbondenheid met mensen vind ik een echte geloofservaring.